Vred. Lokeren, 27 december 1996 / J.P. Lokeren, 27 décembre

Commentaires

Transcription

Vred. Lokeren, 27 december 1996 / J.P. Lokeren, 27 décembre
Vred. Lokeren, 27 december 1996 / J.P. Lokeren, 27 décembre 1996
Clauses abusives - Pouvoir de modération du juge - Suspension du remboursement
durant trois mois à la suite d’une séparation - Reprise ponctuelle des
remboursements - Action en résiliation du contrat - Exécution de bonne foi des
conventions - Abus - Rejet.
Termes et délais - Article 1244 du C.C. - Disposition générale et d’ordre public.
Onrechtmatige bedingen - Matigingsbevoegdheid van de rechter - Stopzetting van
de terugbetaling gedurende drie maanden ten gevolge van scheiding - Stipte
herneming van de terugbetalingen - Vordering tot opzegging van de overeenkomst Uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten - Misbruik - Afwijzing.
Respijttermijnen - Art. 1244 B.W. - Algemene bepaling en van openbare orde.
In zake:
N.V. X, eiseres.
Tegen:
Y, verweerder, eiser op tussenvordering;
Z, verweerster op hoofdvordering, verweerster op tussenvordering.
Naar de termen van de dagvaarding dd. 26.9.1996 strekt de vordering van eiseres
ertoe verweerders, hoofdens het contract van persoonlijke lening op afbetaling nr. A
dd. 28.11.1994, solidair te horen veroordelen tot betaling van de som van 355.493 fr.
vermeerderd met de nalatigheidsrente aan 11,21 % per jaar, conform art. 28 W.
Cons. Kred., met dien verstande dat de rente die voor een geheel jaar verschuldigd is
op haar beurt rente oplevert, en met de kosten van het geding,
rechtsplegingsvergoeding inbegrepen;
Verweerders te horen zeggen voor recht dat hetzelfde contract lastens hen ontbonden
is;
Verweerster tornt in hoofdorde aan de ontbinding van rechtswege van het contract,
die in art. 3 b) van de algemene voorwaarden werd ingeschreven en die formeel aan
art. 29 W. Cons. Kred. beantwoordt;
Verweerster verwijst naar de omstandigheid dat haar huwelijk op de klippen is
gelopen, hetgeen van die aard was dat zij de aflossing, die zij met haar
echtgenoot/verweerder tot en met de maand april '96 heeft voldaan, met ingang van
de maand mei 1996 heeft gestaakt, doch ingevolge het vonnis - art. 223 B.W. dd.
12.7.1996 met ingang van de maand augustus '96 heeft hernomen;
Verweerders en inzonderheid verweerster hebben de betaling slechts tijdelijk, hetzij
gedurende drie maanden, gestaakt, vaststellende dat blijkens de rekeninguittreksels
de maanden augustus - tot en met november '96 werden betaald;
Eiseres, die met de herneming van de betaling met ingang van de maand augustus
1996 werd geconfronteerd, nam/neemt een hard standpunt in, in die zin dat zij, in
weerwil van dezelfde betaling niet op de ontbinding van rechtswege van het contract
is teruggekomen, deze houding was/is derwijze, dat naar de toepassing van art.90,
al. 2 van de wet en van art. 1134, lid 3 B.W. dient teruggegrepen te worden;
De matigingsbevoegdheid, conform art. 90, al. 2 van de wet, kan niet slechts op
formele schadebedingen, doch in algemene zin op straffen en schadevergoedingen
betrekking hebben;
De ontbinding van rechtswege van het contract houdt een sanctie in, vaststellende
dat de opeisbaarheid van de niet-vervallen termijnbetalingen, de rente en de kosten
incluis, hieraan inherent is;
De W. Cons. Kred. tornt niet aan art. 1244, lid 2 B.W. en aan het inherente recht van
de schuldenaar op uitstel;
Art. 1244, lid 2 B.W. is van openbare orde, heeft een algemene draagwijdte en laat
de rechter toe om een aangepast uitstel te verlenen; zie Rb. Luik, 28/9/89, Rb. Luik,
1990, p.371;
De W. Cons. Kred. en de inherente ontbinding van rechtswege van het contract
kunnen niet derwijze worden toegepast dat deze tot rechtsmisbruik aanleiding
geven;
Eiseres, die formeel rechtmatig handelt, misbruikt hetzelfde recht op een wijze die
kennelijk de normale rechtsuitoefening door een voorzichtig en maatschappelijk
geëngageerd persoon te buiten gaat; de beperkende werking van de goede trouw
rechtvaardigt in casu de afwijzing van de ontbinding van rechtswege van het
contract, met dien verstande dat verweerders en inzonderheid verweerster tot
aanzuivering van de geringe achterstal gehouden zijn, zie Cass. 18/6/87, A.C., 19861987, p. 1441;
De tussenvordering van verweerder, strekkende tot diens vrijwaring door
verweerster, komt gegrond voor;
Verweerster dient haar echtgenoot voor de integrale achterstal te vrijwaren,
vaststellende dat het vonnis - art. 223 B.W. dd. 12.7.1996 niet uitdrukkelijk heeft
gelibelleerd dat zij slechts met ingang van dezelfde datum tot afbetaling van de
lening-X gehouden is;
2
De kosten van het geding dienen eiseres te worden aangerekend, ervan uitgaande dat
verweerster, mits inschikkelijkheid, op een afbetaling van de geringe achterstal was
ingegaan;
Om deze redenen,
Wij, vrederechter, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaren de hoofd- en de tussenvordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals
hierna bepaald;
Zeggen eiseres op hoodvordering voor recht dat er vooralsnog geen redenen
voorhanden zijn, die de ontbinding van het litigieuze contract rechtvaardigen;
Veroordelen verweerders op hoofdvordering conform de ingebrekestelling dd.
28.8.1996, stuk 2, solidair tot betaling aan eiseres op hoofdvordering van de
achterstallige mensualiteiten die, onder voorbehoud, op vierentwintigduizend
driehonderd veertien frank, vermeerder met de gerechtelijke rente, worden begroot;
Machtigen verweerder op hoofvordering om de huidige achterstand à rato van 5.000
fr. per maand bovenop de lopende mensualiteit af te betalen met ingang van
15.1.1997 en telkens de vijftiende van iedere daaropvolgende maand, met dien
verstande dat, na iedere rechtsgeldig vastgestelde wanbetaling van een
termijnbetaling, het saldo van de schuld in eenmaal opeisbaar wordt;
Veroordelen eiseres op hoofdvordering tot de kosten van het geding;
Begroten de kosten van het geding tot op heden als volgt:
- aan de zijde van eiseres op zevenduizend honderd eenentachtig frank, kosten van
dagvaarding en rolstelling,
- aan de zijde van verweerder op hoofdvordering op twaalfduizend frank,
rechtsplegingsvergoeding,
- aan de zijde van verweerster op hoofdvordering op twaalfduizend frank,
rechtsplegingsvergoeding;
Zeggen verweerster, verweerster op tussenvordering voor recht dat zij verweerder,
eiser op tussenvordering dient te vrijwaren in hoofdsom en in rente;
Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegen staande alle rechtsmiddelen
en zonder borgstelling;
3
oot
La résolution du contrat telle qu’elle est modalisée par l’article 29 de la loi sur le
crédit à la consommation revêt-elle un caractère automatique? En d’autres termes,
lorsque la défaillance a atteint le seuil fixé par cette disposition, la résolution
demandée doit-elle être prononcée, sans discussion ?
La décision reproduite répond négativement, comme d’autres d’ailleurs.
C’est que la résolution est une sanction. Elle est même la sanction majeure
puisqu’elle entraîne l’exigibilité immédiate du solde non encore remboursé du
crédit.
Comme telle, elle est donc visée par l’article 90, al 2 de la loi consacrant le pouvoir
de modération du juge.
La décision relève la disproportion entre la gravité des conséquences de la sanction
exigée et celle, limitée, de la défaillance, tenant à l’arrêt durant trois mois des
remboursements à la suite d’une séparation dont le juge avait eu à connaître
antérieurement.
Une telle disproportion méconnaît l’exigence d’exécution de bonne foi des
conventions et l’usage du droit de résolution inscrit dans le contrat conformément à
l’article 29 en devient abusif.
La jurisprudence a élaboré l’obligation de solidarité et de loyauté lorsqu’ il est mis
fin, surtout unilatéralement, à un contrat et lorsqu’ une des parties applique une
sanction contractuelle (clause résolutoire expresse, clause pénale, de
suspension,...).
L’exécution des conventions peut en effet, du point de vue de la bonne foi,
comprendre la dissolution des conventions (av. gén. E. Krings, concl. précédant
Cass., 10 juin 1988. A.C., 1987-1988,1309), plus particulièrement lorsqu’ une partie
prend l’initiative de la dissolution.
On s’accorde à dire qu’une partie doit mettre fin au contrat ou appliquer une
sanction de l’inexécution, en respectant les exigences de la bonne foi (voy. S. Stijns,
op. cit., 1994, n° 285 et s.). C’est en particulier -mais non exclusivement- au
créancier, victime de l’inexécution par son débiteur, qu’incombe, dès lors
l’obligation de déterminer son comportement tenant compte des intérêts légitimes de
son cocontractant. Cette légitimité doit, de toute évidence, être appréciée en relation
avec la gravité des manquements reprochés...1
1 S. STIJNS, D. VAN GERVEN et P. WERY, Les obligations. Chronique, J.T., 1996, 690 et
sv.
4
Ainsi, cette décision s’inscrit-elle dans un courant devenu désormais classique
conférant à l’article 1134, alinéa 3, du Code Civil une fonction, notamment,
complétive des prescriptions contractuelles.
Jean-Marie Jacquemin
5