Untitled - UvA Studenten

Commentaires

Transcription

Untitled - UvA Studenten
Aan dit nummer werkten mee:
Bart van Aert
Freek Bakker
Tim Bakkum
Femy Begeman
Lucette Chatelain
Myriam Hiltbrunner
Tiemen de Jonge
Jonna Klijnsma
Laura Kraak
Olivia Meersseman
Margriet van Oerle
Marleen Postma
Rebecca van Raamsdonk
Marta Adsarias Rivero
Hanna Tuijtel
Onder redactie van:
Arisa Niewenhuis
Inhoud
Voorwoord
Clichés
Rood
Quiche aux courgettes et chèvre frais
Jonna prend la plume
Les amoureux aux poireaux, 1950
Het druilt niet in de tuin van de Franse poëzie
Bruxelles, Brussel
Chance
Avant la nuit
La politique linguistique et la musique en France
Prof à Paris
Bibliotheek Romaanse talen lanceert Blog Nostrum
Ma vie à Amsterdam en tant qu’étudiante d’Erasmus
‘Ik wil naar het Rijksmuseum gaan’
La Roue
Lasagne végétarienne aux épinards
Salut à tout le monde!!
Het collegejaar is inmiddels al weer een tijdje van start, en daar mag een nieuwe Brouhaha
uiteraard niet bij ontbreken! Zoals de meesten van jullie al weten, vormen Rebecca van
Raamsdonk en Emma Verhoeven helaas niet langer meer de redactie. Maar gelukkig gaat het
gezegde „Uit het oog uit het hart‟ hier niet bij op, want zo zal Rebecca ons op de hoogte
houden van al haar belevenissen en indrukken in Parijs en heeft Emma beloofd steevast nog
op de borrels te komen!
Gelukkig betekent deze wisseling van redactie niet dat alles aan le Brouhaha veranderd is.
Ook in dit nummer verblijdt Hanna ons weer met een heldere en frisse uitleg over wijn, dit
keer de rode, en geeft Laura ons zoals gebruikelijk een culinaire tip. En voor degenen die nog
meer inspiratie willen opdoen bij het kokerellen, heeft Marleen nog een andere smakelijke
suggestie!
Maar naast al het oude en vertrouwde mogen we ook een heuse columniste in ons midden
verwelkomen. Zo zal Jonna ons in ieder blad op de hoogte gaan houden van de verschillende
litteraire evenementen in Amsterdam en zal zij een kritische blik werpen op een door haar zelf
gekozen boek.
Verder zijn er nog anderen die in de pen zijn geklommen! Zo geeft onze enige echte Meneer
Bakker een gedetailleerde en persoonlijke analyse van De Tuin der Poezie en vertelt Olivia
kort, maar krachtig over de tweetaligheid in Brussel.
Het lieftallige duo Lucette en Tiemen zorgt samen met Tim voor het artistieke tintje van dit
nummer. Bart op zijn beurt doet verslag over zijn ervaringen in Parijs als leraar.
Dan hebben we nog mevrouw van Oerle die samen met Marta Adsarias Rivero uitlegt wat
Blog Nostrum precies inhoudt en doet Erasmus studente Myriam haar ervaringen en
indrukken van Nederland uit de doeken. Ten slotte hebben Femy en ik Simon geïnterviewd en
hebben wij hem hierbij zelfs wat Nederlandse zinnen weten te ontlokken!
Ik hoop dat jullie met veel plezier deze eerste uitgave zullen lezen en mocht je geïnspireerd
raken om zelf iets te schrijven, schroom dan vooral niet om mij dit te laten weten! Voel je vrij
om me in de gang van het PCH aan te spreken, of een mailtje naar me te sturen.
Alsnog een fijn collegejaar aan jullie allen gewenst!
Arisa Niewenhuis
[email protected]
Clichés
Twee weken zit ik nu in Parijs en elke dag weer blijken clichés soms niet voor niets te zijn.
Met zonsondergang langs de Seine lopen is toch prachtig? Met een stokbrood onder je arm
naar huis gaan, geeft toch een goed gevoel? En het is toch ook heerlijk om met een
herfstzonnetje op het gras van Jardin du Luxembourg te zitten? Zeker over dat laatste zijn
toerist en Parijzenaar het eens. De zon scheen een woensdagmiddag ergens in september en ik
zat in het beroemde Parijse park, waar niet voor niets de Franse senaat zetelt. Om mij heen
bloemen, standbeelden en veel, heel veel middelbare scholieren. Van het soort dat nog geen
druppel drank mag aanraken, zeker niet na Sarkozy‟s wetswijziging, maar dat wel de ene
sigaret na de andere wegpaft. Zowel met als zonder Nederlandse toevoeging.
Zulke groepjes fascineren mij. Zo af en toe krijg ik gezelschap van een leuker, volwassener
studentenexemplaar (ik heb mezelf al meerdere malen vervloekt dat ik mijn Amsterdamse
aansteker die ik als non-fumeuse speciaal voor dit soort gelegenheden gekregen had, ergens in
de verhuisstress ben kwijtgeraakt), maar het zijn toch de 15-jarige ukkies die mijn aandacht
het langst vasthouden. Hoe zou het zijn, opgroeien in Parijs? Naar school gaan in zo‟n
bevoorrechte omgeving dat je je niet kunt voorstellen dat ze ook maar enig besef van de rest
van de wereld hebben? Muziek uit de iPhones, het lichaam gehuld in nonchalant modieuze
kleding… Waar zouden zij wakker van liggen? Waar zouden zij van dromen? Het is
overduidelijk wie wie leuk vindt, wie zichzelf overschreeuwt en wie zichzelf onterecht
verbergt. Een oogopslag is genoeg, alleen zelf zien ze het nog niet. Het doet me denken aan
een groepje jongens dat ik midden juni in het Vondelpark zag voetballen. Type net te lang
haar, net te lage broek. Hoogstwaarschijnlijk net geslaagd voor hun eindexamen. O wat
dronken ze heerlijk van het bier, o wat vonden ze de meisjes leuk die hen bewonderden, o de
wereld lag aan hun voeten, ze konden doen wat ze wilden. Tot hun moeder belde of ze niet
eens thuis zouden komen voor het eten.
Ik denk dat precies daarin mijn fascinatie ligt, die subtiele grens tussen volwassen en kind,
tussen jong en oud, tussen mens van de wereld en kind van je ouders. Die grens is namelijk
niet te trekken. Het is een heel, heel lang schemergebied waarin dan weer het een, dan weer
het ander overheerst. Ook zelf zal ik er nog niet helemaal aan ontsnapt zijn, al pretendeer ik
graag van wel. Je zal wel pas echt volwassen zijn als je beseft dat kind zijn zo gek nog niet is.
Deze bespiegelingen zijn alles behalve het gevolg van wekenlange eenzaamheid in een stad
waar het vinden van de Franse woorden elke keer weer moeilijker is dan het in je hoofd lijkt.
Nee, ik ben er pas net en mijn eerste ervaringen zijn zeer positief. Gelukkig maar, want ik
moet nog wel even. Alleen al aan mijn universiteit zijn zo‟n 350 Erasmusstudenten. 350! Ik
weet niet hoeveel ik er verwacht had, maar niet zo veel. Mijn taalgetrainde oor heeft erg veel
Duits opgevangen, net als Italiaans. Aardig wat Chinees en hier en daar een Vlaams accent.
Allemaal samen in Parijs, klaar voor la plus belle expérience de notre vie. (Dit is een citaat, ik
waag mij niet aan uitspraken over mijn leven voor ik het helemaal geleefd heb) Er is een
heuse internationale studentenvereniging met zowel Franse als buitenlandse leden, en omdat
Frankrijk uiteraard uit meer bestaat dan enkel Parijs, organiseren ze reizen om iedereen ook
het land te laten ontdekken. Reizen naar bijvoorbeeld, ik citeer opnieuw, Normandie ou
Amsterdam. Dat niemand om deze belachelijke uitspraak lachte, verbaasde mij nog het meest.
Mijn colleges beginnen pas 3 oktober en de maand september is vooral bedoeld om de stad en
elkaar te leren kennen, om te wennen aan de universiteit en de Franse logica. Ik ging dus uit
van drie weken extra vakantie, maar inmiddels ben ik van mening dat ze precies genoeg tijd
hiervoor hebben ingepland. En dan vooral voor het laatste. Het is wederom veel vaker gezegd,
maar niet voor niets: de Franse logica is niet logisch. En bureaucratie is niet iets waarvan
gegruweld wordt. Typerend was de middag dat de uitslag van de taaltest bekend zou worden
gemaakt en je je afhankelijk van je niveau in kon schrijven voor een cours de langue, cours
de méthodologie of cours de culture française. Om twee uur werden we in de grote
collegezaal verwacht waar de uitslag opgehangen zou zijn en je je vervolgens in kon
schrijven. Dat de inschrijving hier niet digitaal maar door middel van het schrijven van je
naam op een blaadje gaat, om vervolgens te worden overgetypt, had ik inmiddels begrepen.
Dat dit ellenlange rijen vol gelaten wachtende studenten oplevert, had ik inmiddels gezien.
Maar dat de coördinatoren van deze Erasmuscursussen pas twintig minuten later
binnenstapten (terwijl ons zo op het hart gedrukt was altijd op te tijd te komen!) zonder dat er
überhaupt iets opgehangen was, ging mijn begrip te boven. Na uitgebreide excuses – dat dan
weer wel – besloot de „Erasmusbazin‟ dat zij voor zou gaan lezen wie er allemaal een stage
intensif zou moeten gaan volgen voor de colleges begonnen, om hun nu nog zwakke kennis
van het Frans wat bij te spijkeren. Nu is dat niet eens zo‟n slecht idee, ware het niet dat het
een zaal vol buitenlandse studenten betrof met – logisch – buitenlandse achternamen, die
uitgesproken met zo‟n Frans accent als het hare onbegrijpelijk werden, zelfs voor de houder
van de betreffende achternaam. En ik onderstreep nogmaals dat het de namen betrof van
diegenen die toch al niet schitterden in het Frans. Laat staan in het goed verstaan ervan. Ikzelf
had luisterend naar de vreemde klanken die door de doodstille zaal zweefden vooral het
gevoel in een absurdistische film te zijn beland. Gelukkig was de taaltestuitslag inmiddels
opgehangen, vijf witte A4‟tjes boven bij de deur, vijf beneden bij het bureau. Als je het eens
was met de voorgestelde groep, hoefde je alleen nog maar oui achter je naam te schrijven.
Bijna 200 mensen dromden boven aan de trap samen, minstens zo veel snelden naar beneden.
De absurdistische film was nog niet afgelopen. En toen bij sommigen de angst ontstond dat
net het blaadje waar zij oui op hadden gezet kwijt zou raken en ze dus geen toegang tot de les
zouden hebben, begon de film opnieuw. Alleen dan op een andere plek in de zaal.
Een ander cliché: Parijs is de stad van de liefde. Eigen ervaringen kan ik nog niet delen (zoals
ik al schreef ben ik mijn gekregen flirtaansteker kwijt waardoor het ijs op een andere manier
gebroken moet worden dan met een simpel vuurtje), maar ervaringen van anderen zijn overal
te zien. Echt overal. Het is algemeen bekend dat de parken vol liggen met elkaar opetende
stelletjes en ook al ben ik niet zo clichéromantisch ingesteld, ik kan best begrijpen dat een
zoen op de butte Montmartre geweldig is. Of op de punt van Ile de la cité. (Een
huwelijksaanzoek op de Eiffeltoren gaat me daarentegen wel weer te ver…) Mocht ik tegen
de Pierre van mijn leven aanlopen, of de Guillaume van de week, dan zou ik misschien zelfs
hetzelfde willen. Maar echte Fransen gaan nog heel wat stappen verder met hun drang altijd
en overal hun liefde te tonen. Op de aller, aller, allerlelijkste plek van heel Parijs staan ze nog
te zoenen. Nu moeten jullie misschien even nadenken over de allerlelijkste plek van Parijs,
maar ik weet er een: onder de grond, bij de loopbanden die Châtelet aan Les halles verbinden,
is aan het eind rechts een openbaar toilet. Op een smoezelig aluminiumkleurig bordje staat
aangegeven dat hij zowel voor mannen als voor vrouwen bedoeld is. En daar, onder dat
bordje, naast de loopbanden, en op dit moment ook naast de groenblauwe
werkzaamhedenafscheiding, tussen alle zwetende forenzen en stinkende toeristen, vond ik het
allerlelijkste plekje van Parijs. Een plek waar ik nooit aan welk lichamelijk contact dan ook
zou moeten denken. En toch – het zat eraan te komen – denken sommigen daar anders over.
Ik heb ze gezien: twee mensen, innig verstrengeld, lip aan lip, onder het aluminiumkleurige
wcbordje. Opgaand in het moment. Alsof de wereld niet bestond.
Toen wist ik dat ik in de stad van de liefde was. En clichés er niet voor niets zijn.
Rebecca van Raamsdonk
Rood
Het had misschien logischer geweest eerst een stuk te wijden aan witte wijn, dan aan rosé en
vervolgens pas aan rood. Maar om dit vaste patroon, van licht naar zwaar, te doorbreken
begin ik gewoon achteraan, d.w.z. met de rode wijn. Te meer omdat ik deze zomer heb
ervaren dat rode wijn en général niet geheel in hierboven genoemd patroon past. Rode wijn
kan ook zomers licht zijn en dat wil ik graag even met jullie delen.
Ik ben vast niet de enige die haar vakantie in Frankrijk letterlijk in het water zag vallen, op het
gebied van het weer welteverstaan. Laten we zeggen, echt bruin ben ik er niet van geworden.
De vele regen had echter ook een onwijs positieve kant: veel tijd voor leuke uitstapjes. Twee
dagen Lyon (een aanrader!), tochtjes in de omgeving en schattige marktjes. En zo kwam het
ook dat ik in twee weken vier verschillende caves heb bezocht.
In eerdere stukjes heb ik al gesproken over de wondere wereld van de cave. Het blijft iets
geweldigs om een fransman gepassioneerd over zijn zelfgeproduceerde wijn te horen praten.
(En wat bleek, de interesse van onze kant leverde zomaar een gratis flesje van het nieuwste,
roze, heerlijk bubbelende probeersel van een van de wijnboeren op :) Nog een praktisch plusje
van caves, de wijnen zijn vaak helemaal niet veel duurder dan die uit de supermarché.
Terug naar rode wijn. We kampeerden in de Beaujolais, een prachtige streek en qua wijn
voornamelijk bekend om z‟n Beaujolais Primeur: jonge en lichte rode wijn. Deze Beaujolais
Primeur komt echter pas uit in het najaar, desalniettemin was er natuurlijk genoeg wijn te
verkrijgen en te drinken. De streek levert voornamelijk rode wijn, en omdat we toch lokale
producten wilden proberen besloten we dan ook deze zomer voor rood te gaan. Echter, het
zonnetje scheen af en toe voorzichtig warm tussen de wolken door en tja, je bent op vakantie,
dus een fris flesje gekoelde wijn klonk ons erg aantrekkelijk in de oren. Echter, niet
voorradig.
Totdat een van de wijnboeren ons vertelde dat al de lichte rode wijnen juist onwijs lekker zijn
om gekoeld te drinken. Er ging me ver weg iets dagen. In „mijn‟ restaurantje zijn er ook een
paar lichte wijnen die gekoeld worden gedronken. Deze wijnen hebben weinig tannine (daar
krijg je het gevoel van dat je tong aan je verhemelte blijft plakken..) en worden vaak erg
„fruitig‟ als je ze wat kouder drinkt. Zo gezegd, zo gedaan. Twee flesjes in de koelkast van de
camping gezet om uit te proberen. Een geslaagd experiment! En wij hadden ons franse,
zomerse vakantiegevoel met een glaasje koude Beaujolais in onze hand.
Tip van de maand
Dus: koel je rode wijn! Serveer een flesje koude, jonge rode wijn bij bijvoorbeeld carpaccio,
steak tartaar of gewoon lekker als aperitief! De wijn hoeft niet heel koud te zijn, een graad of
10 is prima. Te koude wijn zorgt ervoor dat de smaak minder wordt. Als je de wijn in de
koelkast bewaart, kan je „m er het best vlak voor serveren al uithalen.
Hanna Tuijtel
Quiche aux courgettes et chèvre frais
(pour 4 à 6 personnes)
Ingrédients :
300-400 g de pâte brisée (faite maison ou à acheter)
200 g de fromage de chèvre frais (la Tendre Bûche de Chavroux, par exemple)
1 grande courgette
2 grands oignons ou 6 tiges de ciboule
75 g de pignons de pin
3 œufs
200 ml de crème fraîche
2 cuillères à soupe d‟huile d‟olive
10 g de beurre pour le moule
2 cuillères à soupe de thym émietté
Sel et poivre
Pour faire la pâte brisée maison, il vous faut 250 g de farine, 125 g de beurre (ramolli, coupé
en morceaux), 1 pincée de sel, 1 jaune d‟œuf et de l‟eau. Disposez d‟abord la farine en
fontaine sur votre plan de travail. Ajoutez ensuite une pincée de sel et le beurre ramolli coupé
en morceaux, et sablez du bout des doigts. Disposez à nouveau le mélange en fontaine et
ajoutez le jaune d‟œuf. Commencez à malaxer du bout des doigts le centre de la fontaine en y
incorporant petit à petit la farine et en y ajoutant un peu d‟eau. Au fur et à mesure du mélange,
incorporez la totalité de la farine, jusqu‟à l‟obtention d‟une boule. Écrasez enfin la pâte entre
la paume de votre main et le plan de travail afin de la rendre plus homogène (attention de ne
pas trop travailler la pâte pour ne pas la rendre cassante), et laissez reposer au frais 30 minutes
minimum.
Préchauffez le four à 200°C. Lavez et essuyez la courgette et coupez-la en fines rondelles.
Coupez également les oignons ou la ciboule en petits morceaux. Faites chauffer l‟huile
d‟olive dans une sauteuse et mettez la courgette et les oignons ou la ciboule à dorer à feu vif
pendant 10 minutes, en remuant régulièrement.
Ensuite, beurrez un moule à tarte. Étalez la pâte sur un plan de travail fariné et garnissez-en le
moule. Piquez le fond de quelques coups de fourchette et répartissez les rondelles de courgette
et les oignons/la ciboule sur la pâte. Fouettez les œufs dans un bol puis introduisez la crème
fraîche sans cesser de battre. Salez, poivrez et parfumez de la moitié du thym. Coupez le
fromage en rondelles d‟à peu près 1 cm d‟épaisseur et rangez-les sur la courgette et les
oignons/ la ciboule. Versez le mélange œufs-crème fraîche sur la tarte et enfournez pour 45
minutes environ, jusqu‟à ce que la pâte soit dorée.
Pendant ce temps, faites dorer les pignons à sec dans un poêle antiadhésive. Lorsque la tarte
est cuite, démoulez-la et parsemez-la de pignons dorés et du reste de thym. Servez chaud,
tiède ou froid, accompagné d‟une salade.
Bon appétit !
Marleen Postma
Jonna prend la plume
Parijs, zaterdagmiddag. Vanaf het terras
van Rosa Bonheur, één van de leukere en
charmantere plekjes van Parijs, heb ik zicht
op de Parijzenaren die over de paden van
Parc des Buttes Chaumont flaneren,
zichtbaar genietend van de nazomerse
middag. De kunst van het flaneren, een
bezigheid die in Nederland helaas slecht
tot zijn recht komt door een combinatie
van factoren die alle in meer of mindere
mate inherent zijn aan het Hollandse
karakter dan wel klimaat (denk aan vies
weer, regenpakken, haastige fietsers, het
gemak van fijne gympies tegenover het
ongemak van hooggehakte schoentjes),
wordt hier tot in de finesses bedreven. Met
fascinatie kijk ik vooral naar de
parisiennes, wezens die zich op één of
andere manier weten te onderscheiden van
de rest van ons vrouwen. Pubermeisjes,
jonge moeders, kittige oudere dames met
een hondje of een chique meneer aan hun
zijde… echte Franse petites, volle
Afrikaanse vrouwen: aan de leeftijd, vorm
of afkomst ligt het niet. De parisienne
onderscheidt zich vooral door haar
uitstraling, die zelfverzekerd en doelgericht
is. De houding van een sterke vrouw.
hun leven en vooral in de relaties met de
mannen om hen heen. Prachtig proza en
een krachtig verhaal van een schrijfster
wier Afrikaanse achtergrond doorschemert
in de poreuze scheiding tussen droom en
werkelijkheid, tussen mysterie en het
aardse.
Een ander boek over sterke vrouwen en
mijn absolute favoriet van de afgelopen
tijd is The Birth House van de Canadese
schrijfster Ami McKay. Hoofdpersoon van
het verhaal dat zich in het Nova Scotia van
rond de Eerste Wereldoorlog afspeelt is
Dona Rare, een jonge vrouw van 17 die
niet geheel per toeval in de leer komt van
de oude en traditionele vroedvrouw Miss
B. Dona blijkt over dezelfde gave te
bezitten als haar leermeesteres en zij
ontwikkelt zich niet alleen tot een
volleerde vroedvrouw maar ook tot
voorvechtster van het
zelfbeschikkingsrecht van de vrouw.
Meeslepend, ontroerend, liefdevol, bij
vlagen grappig… zo‟n boek dat je gelezen
moet hebben, voor de vrouwen én mannen
onder ons.
De afgelopen tijd gelezen:
Marie Ndiaye, een Franse schrijfster van
deels Senegalese afkomst, heeft een
prachtig boek geschreven over sterke
vrouwen. Afrikaanse vrouwen in dit geval.
Trois femmes puissantes, dat in Frankrijk
de Prix Goncourt 2010 won en in
Nederland de Europese literatuurprijs voor
origineel én vertaling, is het relaas van drie
Afrikaanse vrouwen, onder wie een FransAfrikaanse parisienne, die ieder op hun
eigen manier vechten tegen het onrecht en
de onderdrukking die zij ondervinden in
Trois femmes puissantes, Marie Ndiaye
The Birth House, Ami McKay
De kleine blonde dood, Boudewijn Büch
I See You Everywhere, Julia Glass
De Eeuw van mijn Vader, Geert Mak
Het geheim, Anna Enquist
Never let me go, Kazuo Ishiguro
The catcher in the rye, J.D. Salinger
State of the Union, Douglas Kennedy
The Finkler Question, Howard Jacobson
Literaire evenementen in Amsterdam
Di 11 okt. 20u, De Balie : SLAA, Scheefkijken, Peter Delpeut : Pleidooi voor het
treuzelen.
Zo 9 okt. 16u, Centrale bibliotheek: Poezie op Zondag. Karel Eykman, moderne
poezie
Di 11 okt 20u, Bibliotheek Osdorp: Literaire ontmoetingenLezing van Kluun
(Raymond van der Klundert)
Di 11 okt 20u, Bibliotheek Indische Buurt: Lezing Khalid Boudou (Het
Schnitzelparadijs, De President) i.s.m. Java Bookshop
Di 18 okt 20u, Bibliotheek Pintohuis: Lezing Stine Jensen i.s.m. Pantheon
Boekhandel
Ma 7 nov 20u, Centrale bibliotheek: OBA literaire salon. Ronald Giphart in gesprek
met Judith Uyterlinde. Programma rondom Het leven is vurrukkulluk van Remco
Campert
Do 24 nov, 20u, Bibliotheek KinkerbuurtLezing. Aaf Brandt Corstius: „Het
moderne leven volgens ABC‟
Do 1 dec, Maison Descartes : Ontmoeting met de schrijver Laurent Binet.
Nieuwe Anita:„Literanita‟, tweemaandelijkse literaire avond (www.literanita.nl)
Elke vrijdag van 10-18u boekenmarkt op het Spui.
Literaire actualiteiten in Frankrijk
De jury‟s van de Prix Goncourt en de Prix Renaudot hebben hun eerste selectie
bekendgemaakt.
Eerste selectie Prix Goncourt 2011, 6 september, 15 titels:
• Stéphane Audeguy, [email protected] (Gallimard)
• Emmanuel Carrère, Limonov (P.O.L)
• Sorj Chalandon, Retour à Killybegs (Grasset)
• Charles Dantzig, Dans un avion pour Caracas (Grasset)
• David Foenkinos, Les souvenirs (Gallimard)
• Alexis Jenni, L’Art français de la guerre (Gallimard)
• Simon Libérati, Jayne Mansfield 1967 (Grasset)
• Ali Magoudi, Un sujet français (Albin Michel)
• Carole Martinez, Du Domaine des Murmures (Gallimard)
• Véronique Ovaldé, Des vies d’oiseaux (L‟Olivier)
• Eric Reinhardt, Le Système Victoria (Stock)
• Romain Slocombe, Monsieur le Commandant (Nil)
• Morgan Sportès, Tout, tout de suite (Fayard)
• Lyonel Trouillot, La belle amour humaine (Actes Sud)
• Delphine de Vigan, Rien ne s’oppose à la nuit (JC Lattès)
Tweede selectie 4 oktober, derde en definitieve selectie 25 oktober
Eerste selectie Prix Renaudot 2011, 6 september, 15 titels :
Emmanuel Carrère, Limonov (POL)
Marien Defalvard, Du temps qu'on existait,(Grasset)
Patrick Deville, Kampuchéa (Seuil)
Colette Fellous, Un amour de frère (Gallimard)
Dalibor Frioux, Brut (Seuil)
Alexis Jenni, L'Art français de la guerre (Gallimard)
Simon Liberati, Jayne Mansfield 1967 (Grasset)
Gilles Martin-Chauffier, Paris en temps de paix (Grasset)
Carole Martinez, Du domaine des murmures (Gallimard)
Eric Reinhardt, Le Système Victoria (Stock)
Jean Rolin, Le Ravissement de Britney Spears (P.O.L)
Shumona Sinha, Assommons les pauvres ! (L'Olivier)
Morgan Sportès, Tout, tout de suite (Fayard)
Anne-Sophie Stefanini, Vers la mer (Lattès)
Delphine de Vigan, Rien ne s'oppose à la nuit (Lattès)
Tweede selectie 4 oktober, derde en definitieve selectie 25 oktober.
Les amoureux aux poireaux, 1950
Robert Doisneau
Het druilt niet in de tuin van de Franse poëzie
Begin dit jaar verscheen een bundel met honderd door Paul Claes in het Nederlands vertaalde
gedichten, gekozen uit de Franse literatuur vanaf het begin (de sequens van de Heilige
Eulalia, omstreeks 882) tot halverwege de XXe eeuw. Veel meer nog dan het vertalen van
proza is het vertalen van een gedicht een erg moeilijke bezigheid. Het gevaar dreigt dat in de
vertaling van alles verloren gaat, ritme, klanken, alliteratie en het handhaven van eventueel
rijm kan vereisen dat ver van de originele tekst moet worden afgeweken. André Malraux zei
het al: Un grand texte poétique ou religieux traduit nous semble amputé: les poèmes traduits
perdent ce qui les constituait poèmes1. Paul Claes is echter een gelauwerd vertaler (in 1996
ontving hij de Martinus Nijhoffprijs) en zijn vertalingen zijn zeker geen geamputeerde
gedichten.
Zijn bundel is een prachtige verzameling vertalingen geworden. Aan deze vertalingen gaan
twee inleidingen vooraf. In de eerste schetst Claes een historisch overzicht van de Franse
poëzie als een steeds veranderende tuin, van de middeleeuwse rozentuin tot de woekertuin aan
het einde van de XXe eeuw. Nuttig is verder de tweede korte inleiding in de Franse versleer:
wat is het spel van het rijm, het ritme, de klanken en de syllabes?
De vertalingen helpen bij het begrijpen van de Franse poëzie en voor iedere lezer, zowel de
geoefende als voor iemand die begint Franse poëzie te lezen, is de combinatie van de twee
talen erg stimulerend omdat je haast gedwongen wordt steeds van de ene taal naar de andere
heen en weer te flitsen. Als je het Frans leest, vraag je je af : “Wat zou Claes er in het
Nederlands van hebben gemaakt?” en andersom, na een versregel of een strofe in het
Nederlands ben je nieuwsgierig te zien wat er in het Franse origineel staat. Zo intensief lezend
komt de lezer mooie vondsten tegen! Een paar voorbeelden die ik kris kras uit de bundel haal.
Het begin van het gedicht van Paul Verlaine (p. 256-257) allereerst:
Il pleure dans mon coeur
comme il pleut sur la ville
is in de vertaling bijna nog mooier geworden:
Het huilt hier in mijn hart
Zoals het druilt daarbuiten
en deze regel uit helzelfde gedicht (strofe 3)
dans ce coeur qui s’écoeure
wordt in het Nederlands
dat kan mijn hart niet harden
Paul Claes heeft ook het gedicht Si tu t‟imagines van Raymond Queneau (p. 408-411)
vertaald, dat Juliette Gréco beroemd maakte (in de twee betekenissen van de zin, dat =
onderwerp, of Gréco = onderwerp).
1
Malraux, "L'homme précaire et la littérature", in: Oeuvres Complètes VI (Gallimard, Pléiade, 2010)
p. 878
De versregels
si tu t’imagines
xa va xa va xa
va toujours durer
vertaalt Claes als volgt:
als je soms gelooft
dattit dattit dat
tit voor eeuwig is
Of het grappige puntdicht van Voltaire (p. 151)
Onlangs in een verlaten dal
kreeg Jean Fréron een addersteek.
Wat bleek vervolgens het geval?
Het was de adder die bezweek.
Minder geslaagd vond ik de levensbeschrijvingen die Claes van iedere dichter geeft. Ik begon
me er wat aan te ergeren iedere keer weer te moeten lezen wat het beroep van de vader van de
dichter was (de vader van Claudel was hypotheekbewaarder, die van Fort meelhandelaar, die
van Char gipsbrander en de ouders van Queneau dreven, net als Joost van den Vondel, een
garen- en bandwinkel). Geen wetenswaardigheid wordt ons onthouden! Zo weten we nu dat
Paul Valéry is getrouwd met een achternicht van de schilderes Berthe Morisot. Ook wordt
altijd minutieus vermeld waaraan de dichter is gestorven. Het blijkt dat van de XXe eeuwse
dichters er maar weinig zijn ontsnapt aan de moderne doodsoorzaken: longkanker (Queneau,
Prévert), hartaanval (Char, Vian, Breton, Cocteau et j‟en oublie), tuberculose (Pozzi),
hersenbloeding (Toulet), de Spaanse griep (Apollinaire), verslaving aan seks, drank en drugs
(Louÿs) en Stéphane Mallarmé bezweek aan glottiskramp (niet op een wandeling of in het
ziekenhuis, maar in zijn buitenhuisje). Ik hoef dat allemaal niet te weten. Ook de
waardeoordelen vind ik misplaatst: zo lees ik bij Victor Hugo: Ondanks zijn geniale
verbeeldingskracht en mateloos taalvermogen blijft Hugo een naïef en simplistisch denker, de
verzen van Lamartine zijn soms slordig,sentimenteel en retorisch, Marceline Desbordes
schreef larmoyante poëzie, Delille is een gladde versificator en Claes zegt over De Banville:
Zijn formeel volmaakte poëzie heeft weinig diepgang. En het mooie Dormeur du val van
Rimbaud wordt weggezet als een antimilitaristisch anthologiestukje van een voorlijke
adolescent. Het zij zo. Ik heb mijn eigen oordeel! De redacteur van de uitgever heeft verder
hier en daar verzuimd de belgicismen op te ruimen (de dichter Michaux werd verast, zijn
roman Nadja heeft Breton in 1963 herwerkt, bij Jacob zijn boulevards extérieurs in de
vertaling ringlanen geworden en in een gedicht van Segalen wordt de geliefde omprangd.
De laatste voorbeelden brengen me op een leuk aspect van zo‟n tweetalige bundel. Mijn
bedenkingen in de vertalingen stimuleerden me om zelf alternatieven aan te dragen. Ik
omprang haar is gemakkelijk in „gewoon‟ Nederlands om te zetten: ik omhels haar. In
hetzelfde gedicht staat eau jetée sur les charbons rouges en als vertaling water op kissende
kolen. Een mooie alliteratie, dat wel, maar Van Dale moest eraan te pas komen om de
betekenis van „kissen‟ te achterhalen (kissen is „een sissend geluid maken‟). Mooi gevonden
is wel weer dat de vertaler geprobeerd heeft iets van de sissende s-klank in „charbons‟ te
behouden. En ik beken dat ik niets beters weet te verzinnen.
Een alternatieve vertaling waar ik wel tevreden over ben, is de eerste regel van het rondeel
van Christine de Pisan (p. 51) dat in het Frans luidt:
Amis, venez encore nuit,
Claes vertaalt
Mijn liefste, kom nog deze nacht
en ik heb dit bedacht
Mijn liefste, kom je weer vannacht2
De ondertitel van de bundel intrigeert: ″een″ canon, niet ″de″ canon. Het is dus duidelijk niet
de bedoeling geweest de lezer een compleet overzicht te geven van de gedichten die over het
algemeen worden beschouwd als behorend tot de klassieken. Sommige van de vertaalde
gedichten zijn dat overigens duidelijk wel, bijvoorbeeld Le pont Mirabeau - De Mirabeaubrug
(Apollinaire); Liberté - Vrijheid (Eluard); maar ik mis ook een paar klassieken (Mais où sont
les neiges d‟antan? – een variant op deze beroemde regel van Villon zag ik deze zomer nog in
een krantenkop: Mais où sont les … d‟antan). Ik zal een dezer tijden mijn eigen canon van de
Franse poëzie moeten opstellen. Bovengenoemde Eluard gaf een door hem samengestelde
bloemlezing poëzie heel wijs de veelzeggende titel: Le meilleur choix de poèmes est celui que
l‟on fait pour soi.
De tuin van de Franse poëzie – Een canon in 100 gedichten
Vertaald door Paul Claes (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011; € 32.50)
Freek Bakker
2
Eén van mijn meelezers zei: “Betekent deze versregel niet: Kom als het nog nacht is”. We vragen het
Jelle Koopmans. In ieder geval een bewijs dat de bundel tot interessante discussies kan leiden !
Bruxelles, Brussel
Le bilinguisme à Bruxelles est une évidence: il suffit de jeter un coup d‟œil aux panneaux de
signalisation de la capitale européenne, aux noms de ses rues, aux menus de ses restaurants ou
encore à ses offres d‟emplois pour s‟en rendre compte. Il y règne une harmonie remarquable,
introuvable ailleurs dans le pays : francophones et néerlandophones se côtoient dans la plus
grande tolérance. Chacun s‟exprime dans sa langue sans que cela ne pose le moindre
problème. Cet équilibre linguistique nous ferait oublier avec une facilité déconcertante que
Bruxelles se trouve sous la domination du français. En effet, de nombreuses études
s‟accordent à dire que la ville compte entre 85% et 90% de francophones. Et pour les plus
sceptiques d‟entre vous, je vous mets au défi de vous rendre dans une des grandes gares
bruxelloises en fin de journée et de comparer les deux piles de journaux Metro. Il n‟y a pas
photo ! La pile néerlandophone reste quasiment intacte tandis que la pile francophone est
entamée aux trois-quarts. Et même si la ville de Bruxelles se trouve sur territoire flamand et a
été élue capitale de la région flamande, elle garde indéniablement une âme francophone. Les
façades BD du vieux Bruxelles sont là pour nous rappeler que la tradition de la bande
dessinée a été marquée par de nombreux francophones : Peyo (Les Schtroumpfs), Hergé
(Tintin), Jean Roba (Boule et Bill), Philippe Geluck (Le chat), Franquin (Gaston Lagaffe). Les
librairies regorgent de livres rédigés par des auteurs bruxellois de langue française comme
Rolin, Steeman ou Nothomb et il n‟est pas rare de surprendre des Bruxellois dans la rue en
train de fredonner des airs de Jacques Brel, Maurane ou Stromae. Il ne faut pas oublier non
plus que de nombreuses célébrités françaises ont vécu ou résident encore à Bruxelles : Rodin,
Victor Hugo, Barbara, Miossec, Daniel Auteuil, Emmanuelle Béart, etc. Le caractère latin de
la ville ne passe donc pas inaperçu. Et avec une immigration francisante croissante
(Marocains, Congolais, Sénégalais, etc.), la communauté francophone de Bruxelles n‟est pas
prête de s‟éteindre.
Parcourir Bruxelles est un véritable plaisir pour les francophiles. En une journée, il leur est
possible de découvrir toutes les variétés de la langue : boire un verre au Goupil le fol3, un bar
typiquement francophone et y écouter des expatriés français et des Bruxellois de souche
bavarder, flâner dans Matongé4 pour entendre les particularités du français d‟Afrique ou
encore visiter le marché d‟Anderlecht pour faire profiter vos oreilles des intonations et de
l‟accent maghrébins. A Bruxelles, le français a détrôné les autres langues pour devenir langue
de cœur et de culture. Le néerlandais, également très important, représente la langue de
l‟emploi. Les Bruxellois l‟utilisent volontiers, surtout si cela ouvre la porte à un meilleur
avenir professionnel. Si les différences linguistiques et culturelles ont plutôt tendance à
déchirer la Belgique, Bruxelles, quant à elle, a sû y voir une richesse et par là, instaurer une
paix sociale et linguistique qu‟il serait temps que l‟ensemble du pays retrouve.
Olivia Meersseman
Si vous êtes de passage à Bruxelles, ne manquez pas de visiter ce café situé en plein cœur de la ville
(22 rue de la violette). Ce café à la décoration rétro joue en boucle les plus grands classiques d‟artistes
belges et français (Brel, Piaf, Brassens, Adamo, Hallyday, Gainsbourg, Salvador, Dutronc, etc.). Son
vin à la violette vaut le détour !
4
Quartier africain de Bruxelles
3
Chance
Voor deze keer treden we buiten de grenzen van Frankrijk, om een zeer indrukwekkend
kunstfenomeen te beschrijven, La Biënnale di Venezia. En niet voor niets, want hier worden
om de twee jaar de beste beeldend kunstenaars van elk deelnemend land naartoe gestuurd om
hun kwaliteiten in naam van hun land te bewijzen.
Dit in 1893 ontstane evenement heeft dit jaar als thema Illuminations. Elk van de maar liefst
89 deelnemende landen van Albanië tot Uruguay, van Rusland tot de Verenigde Staten en
natuurlijk Frankrijk, heeft hun eigen licht op dit thema laten schijnen. Reden genoeg om
Frankrijk voor deze keer deels links te laten liggen, maar niet helemaal, want we bezochten
het Frans paviljoen in de Giardini. Dit is de plek waar elk deelnemend land zijn eigen
paviljoen heeft. Deze paviljoenen zijn het beste te vergelijken met gigantische villa‟s die ieder
toonaangevend zijn qua architectuur. Zo is het Franse paviljoen neoclassicistisch
vormgegeven, terwijl het Nederlandse paviljoen is ontworpen door Gerrit Rietveld. Op deze
manier heeft ieder land, net als de kunstwerken, een onderscheidende stijl.
Helemaal in de geest van deze tijd is er veel videokunst aanwezig. Maar Frankrijk
onderscheidt zich hiervan met een enorme installatie van Christian Boltanski, genaamd
„Chance‟. Zodra je binnenstapt word je overweldigd door de immensiteit van het werk, dat is
ondergebracht in vier ruimtes. Allereerst wordt de bezoeker uitgenodigd om op een van de
houten stoelen te gaan zitten die fluisteren: „est-ce la dernière fois?‟
In de hoofdzaal
heeft Boltanski een
doolhof van grote
steigers
geïnstalleerd, waar
als een soort
drukpers een
uitvergrootte
filmstrip in hoge
snelheid doorheen
loopt dat gezichten
laat zien van
pasgeboren
kinderen. Op
willekeurige
tijdstippen stopt de
lopende band en
kiest Chance één van de baby‟s die vervolgens wordt afgebeeld op een scherm. Hierna begint
het hele proces opnieuw, tot de volgende uitverkorene. Dit symboliseert de willekeurigheid
van het bestaan en het lot. In elk van de twee zijkamers telt een grote digitale klok de
wereldbevolking op. Iedere avond, op het moment dat de tellers stoppen, zal blijken dat het
geboortecijfer hoger ligt dan het sterftecijfer. Misschien komt hierin de optimistische toon van
Chance tot uiting, in tegenstelling tot Boltanski‟s normaal gesproken vrij pessimistische
oeuvre.
Christian Boltanski behandelt existentialistische kwesties op een spectaculair niveau. Hij
brengt feit en fictie samen in een kunstvorm dat thema‟s behandelt als geluk, Gods wet en de
dood. De kans op geboorte tegenover de kans op de dood. Is alles voorbestemd? Wie bepaalt
het lot? Is onze levensweg al vooraf bepaald? Bestaat God?
In de vierde zaal kom je een enorm scherm tegen die als
een rubiks kubus drie delen van verschillende gezichten op
willekeurige wijze bij elkaar voegt. Op deze manier
ontstaan er vreemde, soms monstrueuze gezichten. Het
resultaat van een wilde fantasie. De toeschouwer kan op
een knop drukken waarna het beeld tot stilstand komt.
Heeft de bezoeker geluk en is er een match tussen de drie
delen, dan wint diegene een persoonlijke verrassing van
Boltanski himself. Dit kun je ook online doen op
www.boltanski-chance.com.
Mocht je nog op zoek zijn naar een inspirerende
vakantiebestemming zo net voor de tentamens, de Biënnale
is nog geopend tot 27 november.
Pour de plus amples renseignements, contactez-nous !
Nous sommes toujours disponibles à vous raconter d‟autres
expériences inoubliables.
Lucette Chatelain en Tiemen de Jonge
Avant la nuit
Avant la nuit, une pensée de toi pour toi, avant que je ne
tombe
Dans le filet blanc des angoisses, et la promenade aux
frontières
Du rêve du désir avant le crépuscule, parmi les gazelles des
sables
Pour ressusciter le poème au royaume d’Enfance.
Elles vous fixent étonnées, comme la jeune fille du Ferlo, tu
te souviens
Buste peul flancs, collines plus mélodieuses que les bronzes
saïtes
Et ses cheveux tressés, rythmés quand elle danse
Mais ses yeux immenses en allés, qui éclairent ma nuit.
La lumière est-elle encore si légère en ton pays limpide
Et les femmes si belles, on dirait des images ?
Si je la revoyais la jeune fille, la femme, c’est toi qu soleil
de Septembre
Peau d’or démarche mélodieuse, et ces yeux vastes,
forteresses contre la mort
Léopold Sédar Senghor
La politique linguistique et la musique en France
Ça vous a déjà frappé que, en écoutant la radio française, une chanson anglophone connue
soit tout d’un coup demi-francisée ? Que des chansons de Timbaland, Lilly Allen, Jason
Derulo ou Sean Paul soient chantées à moitié en français ? Ce n’est peut-être pas par hasard,
puisque, depuis le 1er janvier 1994, la loi Carignon oblige les stations de radio française de
respecter des quotas de diffusion de musique francophone.
Cette loi linguistique n‟est pas un phénomène nouveau. Elle fait partie d‟une longue tradition
française de politique linguistique. Tout commence en 842 quand le dialecte francien, parlé
dans la région de l‟Île-de-France, passe au statut de langue du royaume par les Serments de
Strasbourg. Cela ne voulait pas dire que, à partir de ce moment-là, tous les Français parlaient
le même français. Il a fallu au français, qui n‟était en fait qu‟une langue minoritaire avec le
statut de langue nationale, de lutter contre deux „menaces‟ : le latin et les (autres) langues
régionales de France. En 1510, le latin est remplacé par les langues régionales par
l‟Ordonnance de Louis XII. Cela semble une victoire pour les langues régionales, mais en
1539, par le l‟Ordonnance de Villers-Cotterêts, le français devient la « langue d‟Etat » et
remplace les langues régionales dans les documents juridiques. Pourtant, le français est encore
loin d‟être vraiment la langue de tous les Français, comme il l‟est aujourd‟hui. La fondation
de l‟Académie française par le cardinal Richelieu en 1635 est un événement en faveur de la
vulgarisation du français. L‟Académie a fixé l‟orthographe, qui était vite assimilée à une
orthographe d‟Etat. Le lexique français était épuré, les règles de grammaires fixées, ainsi que
la prononciation du français. Tout cela était fait, afin de faire de la langue « un patrimoine
commun à tous les Français et à tous ceux qui pratiquent notre langue »5. Le français voit la
vie en rose, quand il remplace le latin comme langue diplomatique avec la signature du traité
de Rastatt en 1714. Ensuite, sous Napoléon, il n‟y pas de législation linguistique, mais le
français est quand-même répandu en France grâce à sa politique de centralisation qui a
introduit une administration uniforme utilisant uniquement le français. De plus, grâce à ses
exploits militaires, le français était diffusé dans toute l‟Europe. La francisation de la France
continue avec les lois de Jules Ferry (1881-1886) qui rend obligatoire et gratuite l‟école
primaire et laïque, où l‟enseignement se déroule, bien évidemment, en français.
La volonté de diffuser la langue française en France et dans le monde souvent au prix d‟autres
langues, est entre autres attribuée à plusieurs périodes de rayonnement (ou prestige) de la
langue française. La consécration du français comme langue diplomatique marque un de ces
périodes. Cependant, ce n‟est pas la première. La première de rayonnement du français avait
lieu à partir de 1066, quand Guillaume de Normandie conquit l‟Angleterre. Ce règne durera
plus que trois cents ans et il est la raison pour laquelle la langue anglaise contient autant
d‟emprunts français. Dans la seconde moitié du XVIIe siècle et au XVIIIe siècle, le français
connaît de nouveau une période de prestige en Europe. Le français est non seulement la
langue diplomatique, mais il s‟affirme aussi par l‟art, la science et la technique. Aujourd‟hui,
tout le monde sait que le français a du céder sa place à l‟anglais. Pour être plus précis, on
désigne le plus souvent la signature du traité de Paris en 1763 comme tournant dans le « règne
international » du français. Pourtant, le français continue de s‟étendre à travers le monde, dans
les colonies africaines, par exemple, où une grande partie de l‟enseignement se fait en
français. Mais, après la deuxième guerre mondiale, nous voyons que l‟anglais sera désormais
la langue internationale dominante dans le monde.
5
http://www.academie-francaise.fr/role/index.html
Par conséquent, la politique linguistique française change également.
La première loi qui montre ce changement est la loi Bas-Lauriol de 1975 qui impose le
français dans les actes commerciaux et publicitaires. Cette loi a pour but de faire face à des
langues jugées menaçantes – surtout, en l‟occurrence, l‟anglais dans le commerce et les
publicités. La loi exige que la langue française soit utilisée dans les textes écrits et les
inscriptions et interdit la présence d‟expressions étrangères lorsqu‟il existe des termes français
équivalents, dans les domaines suivants : l‟offre et la demande de biens et de services, les
informations et la présentation de programmes de radiodiffusion et de télévision. Cette loi
autorise également à sanctionner des personnes ou des entreprises qui assurent des missions
de service public quand ils n‟utilisent pas le français en France. En 1994 la loi Toubon suit et
impose le français comme langue de communication écrite des entreprises, langue
d‟enseignement et langue potentielle des colloques organisés sur le territoire. L‟Académie
française commence à proposer des néologismes français pour remplacer les termes, souvent
anglais, étrangers, qui envahiraient la langue française.
Depuis le 1er janvier 1996, par la loi Carignon, les radios doivent respecter un quota de
diffusion d‟un minimum de 40% de chansons francophones. La chanson française se portait
mal à l‟époque. Depuis la fin des années 1980, le chiffre d‟affaires de la production de
l‟industrie de musique française est en train de diminuer. On produit moins de musique
d‟expression française. L‟influence de la musique anglo-saxonne s‟accroît. Il y a deux
motivations pour les quotas : des motivations économiques et des motivations culturelles et
linguistiques. Culturelles et linguistiques, parce que ils sont très liées. La diffusion des idées
et de la culture se passe par la langue. De peur que l‟anglais remplace tout à fait le français (et
par conséquent une partie de la culture française) dans le domaine de musique, les quotas ont
été mis œuvre.
A première vue, les résultats de cette loi paraissent décevants. La part des diffusions
francophones sur les radios françaises n‟atteint pas le minimum de 40%. En 2010 33,1% de
toutes les chansons diffusées sur la radio française était chanté en français. Les radios veulent
avoir le plus d‟auditeurs possible et répondent aux besoins de l‟audience. Les stations qui se
sont spécialisées en musique non francophone risquent de perdre des auditeurs. L‟argument
souvent entendu par la part des radios est que l‟industrie de disque ne fait que satisfaire aux
besoins de plus de musique francophone, mais que cela ne veut pas forcément dire que cette
musique est de bonne qualité. Les radios essayent souvent de „contourner‟ les quotas. Par
exemple, en diffusant les titres exigés par les quotas aux heures de très faible écoute. Parfois,
les radios réduisent les chansons à une minute. De plus, on voit même que certains titres
anglo-saxons sont « francisés », tout cela dans le but de respecter les quotas. En 2010, la
chanson la plus écoutée à la radio était une chanson demi-francisée, « Hold my hand » de
Sean-Paul et Zaho. Une chanson qui était à la base uniquement chantée en anglais. On voit
également une montée de chansons qui sont des collaborations franco-anglophone.
Regarder par exemple sur YouTube la chanson « Jet Lag » de Marie-Mai & Simple Plan ou
« J'ai Fait Tout Ça Pour Vous » par Melissa Nkonda & VV Brown.
Même si les radios ont du mal à respecter les quotas, on constate quand-même un
renouvellement de la musique française suite à cette loi. Le rap, hip-hop et r‟n‟b français
éclosent et on voit naître une nouvelle vague de la chanson française. Quand on regarde les
hitparades (les 100 singles les plus vendus) on voit que la variété nationale reste cependant un
genre populaire, quoi que la plupart des morceaux soient en anglais aujourd‟hui. L‟attitude
des Français envers l‟anglais n‟est certainement pas hostile.
L‟anglais est surtout populaire chez les jeunes.
Aux Pays-Bas, par contre on a une orientation anglo-saxonne depuis beaucoup plus
longtemps. Pendant très longtemps les artistes néerlandais ont chanté presque uniquement en
anglais, car on voulait imiter le rock „n roll des Américains. En plus, l‟aspiration de percer à
l‟étranger est une autre raison pour laquelle on chantait autant en anglais aux Pays-Bas.
Maintenant, cela est en train de changer et le nombre des artistes qui chantent en néerlandais
augmente. C‟est pourquoi il est étrange que récemment, aux Pays-Bas le gouvernement a
adopté une motion qui exige un minimum de 35% de musique néerlandophone sur Radio 2,
une station radio publique, entre 7h00 et 19h00, afin de stimuler la langue néerlandaise et le
répertoire néerlandais. Radio 2 n‟était pas d‟accord. En comparaison avec les Pays-Bas, où la
variété néerlandophone vient de commencer à se développer, la variété francophone (en
France) ne se porte pas si mal du tout. A mon avis, il ne faut pas avoir peur d‟une domination
anglophone en France. Les quotas ont (directement ou non) entraîné un renouveau dans le
domaine de la musique. Les morceaux demi-francisés sont peut-être aussi, comme la
domination anglais, un effet de la mondialisation de la musique si on considère les origines de
certains artistes. La chanson « Coconut Tree » de Mohombi ft. Nicole Scherzinger, par
exemple. Il existe 2 versions de cette chanson, une dans laquelle Mohombi chante en anglais
et une autre, publiée plus tard, dans laquelle il chante en français. En fait, Mohombi est
d‟origine congolaise et suédoise. Il y a encore d‟autre exemples, que je ne vais pas tous
mentionner, car ce serait trop long. Même si ce phénomène nouveau et intéressant peut-être
contribué aux quotas et à la mondialisation, il doit encore être étudié plus profondément.
J‟ai écrit mon mémoire sur ce sujet et pour en savoir plus vous pouvez toujours me contacter
ou consulter un de ces œuvres suivants :
Machill, M. (1996). Musique as opposed to music: background and impact of quotas for French songs
on French radio. The journal of media economics, 21-36.
Mutsaers, L. (2001). De Nederlandse taal in de popmuziek. Dans L. Grijp, Een muziekgescheidenis
der Nederlanden (pp. 871-878). Amsterdam: Amsterdam university press-Salomé.
Szulmajster-Celnikier, A. (1996). La politique de langue en France. La linguistique, pp. 35-63.
Verlant, G. (2006). L'odyssée de la chanson française. Hors collection éditions.
Tim Bakkum
Prof à Paris
Een aantal weken geleden werd aan mij gevraagd of ik een stukje wilde schrijven over mijn
verblijf in Parijs. Eigenlijk was ik verbaasd, aangezien ik twijfel of ik een waardevolle
bijdrage kan leveren aan de Brouhaha; als student Frans is het namelijk niet heel bijzonder en
vernieuwend om gedurende enkele maanden in Parijs (of elders in Frankrijk) te verblijven.
Maar goed, uiteindelijk ben ik dan toch achter mijn laptop gekropen om een soort van verslag
uit te brengen. Niet om mezelf op een voetstuk te plaatsen maar meer om andere studenten
over te halen of te inspireren.
Voordat ik begin met mijn “reportage” zal ik beknopt vertellen wat ik daar precies heb
gedaan. Gedurende een half jaar heb ik gewerkt als taalassistent op een middelbare school in
een stadje net onder Parijs. Een project van de Europese Unie met als doel om verschillende
culturen met elkaar in contact te brengen, en met name voor beginnende docenten om
ervaring op te doen. Ik kan nu uitgebreid en gedetailleerd ingaan op dit programma, maar het
lijkt me spannender wanneer ik vertel over mijn persoonlijke ervaringen. (Meer informatie
over de inhoud is trouwens te vinden op de website van het Europees Platform).
Halverwege april had ik een motivatiebrief verstuurd en eind december vertrok ik dan echt
naar Parijs. Eigenlijk had ik niet echt een idee van wat me te wachten stond, omdat ik de
maanden ervoor te druk bezig was geweest met stage, tentamens, afscheidfeestjes en een
(uiterst onprettig) eindverslag voor het ILO. Gelukkig was er vanuit de school woonruimte
voor me geregeld en hoefde ik dus slechts mijn spullen in Amsterdam in te pakken en ze
vervolgens in Parijs weer uit te pakken. Appeltje, eitje toch?
Enkele dagen later ging ik dan met mijn fiets op weg naar mijn stage/werk. En ineens kreeg ik
een soort van paniekaanval, allerlei doemscenario‟s flitsten door mijn hoofd: “Waar ben ik in
godsnaam aan begonnen? Hoe ga ik die les beginnen? Is mijn Frans en Engels echt wel zo
goed? En wat als die opstandige pubers geen zin hebben om mee te werken? Nee, ik keer om
en ik ga, ik ga…NEE, IK GA GEWOON!”
Aangekomen bij de school word ik als een ware attractie ontvangen. Niet omdat ik
oogverblindend knap ben, maar vanwege het feit dat ik met de fiets kwam. Je gaat toch niet 5
kilometer fietsen als je ook in een (overvolle en naar zweet stinkende) bus kunt zitten? Iedere
zijn ding zullen we maar zeggen...
Door de directrice word ik voorgesteld aan mijn collega‟s, krijg ik een rondleiding door het
gebouw, duwt ze snel nog een bos sleutels in mijn handen en vervolgens mag ik dan een uur
lang een groep van 30 pubers zelfstandig gaan vermaken. Het uur vliegt echter voorbij!
Tijdens de pauze eet ik met mijn collega‟s en binnen enkele weken ben ik geheel
geïntegreerd.
Mijn Frans gaat met sprongen vooruit, net zoals mijn onderwijsvaardigheden. Ik ben erachter
gekomen dat het beroep van leraar alles behalve saai is. Geef die pubers de vrijheid om een
gerucht te verzinnen tussen twee bekende sterren en je ligt een uur lang in een deuk. Of ga
lekker “wie is het?” met ze spelen en zet je zelf in de hoofdrol, dan is het ineens muisstil bij
de vraag of het personage oud is. Toekomst voorspellen, daarvoor zijn ze denk ik toch nog
iets te jong. Een horoscoop schrijven voor de aankomende week was toch best lastig. Wie las
er ooit in zijn horoscoop dat je vriendin het uit maakt omdat je de verkeerde film hebt
gekozen en je vader ook nog eens overlijdt. Maar goed je wint wel de jackpot, alleen word je
vervolgens tijdens je vakantie in Amerika weer bestolen van al je geld.
Gelukkig was er ook genoeg tijd over om van de Franse hoofdstad te kunnen genieten.
Vanuit het Europees Platform was namelijk bepaald dat ik maar maximaal 16 uur mocht
werken en de school had maar ruimte voor 12 uur per week (heel vervelend).
Je begrijpt dat ik dus zeeën van tijd over had. Zelfs mijn collega‟s vroegen zich af hoe ik mijn
vrije uurtjes vulde. Ze waren misschien een beetje bezorgd maar ik kan je verzekeren dat ik
me geen seconde heb verveeld, omdat er genoeg valt te beleven. Even een ijsje eten in Rue
Mouffetard, boekje lezen aan de Seine of een fietstochtje maken en genieten van alle
prachtige gebouwen. En anders wijntjes drinken op de kade met een aantal studenten.
Al met al heb ik een fantastische tijd gehad in Parijs.
Mijn Frans is enorm verbeterd, er is nu nauwelijks nog gêne om een gesprek in het Frans aan
te gaan. Ik weet dat ik een accent heb maar ik ben er ook achter gekomen dat ze me toch wel
begrijpen en verstaan. Bovendien hebben de meeste Fransen me laten weten dat mijn accent
eigenlijk juist wel heel schattig is. Daarnaast heb ik meer zelfvertrouwen gekregen als docent,
als het in het buitenland lukt dan moet het in Nederland toch al helemaal lukken? Verder kan
ik mijn lessen nu levendig maken met tal van persoonlijke ervaringen.
Kortom, ik kan iedereen die enigszins overweegt om docent te worden het aanraden om deel
te nemen aan een dergelijk project.
Bart van Aert
Bibliotheek Romaanse Talen lanceert Blog Nostrum
Sinds eind juni is Blog Nostrum in de lucht, het blog van de bibliotheek Romaanse Talen van
de Universiteit van Amsterdam.
Met Blog Nostrum, letterlijk uit het Latijn vertaald "Ons Blog", willen we studenten,
onderzoekers, docenten en publiek op de hoogte te houden van ontwikkelingen die relevant
zijn voor de vakgebieden Spaans, Frans, Italiaans, Portugees, Roemeens en Catalaans. We
berichten over allerlei zaken die met de collectie en de studie te maken hebben.
In de eerste plaats komt nieuws rond de bibliotheek en haar collectie aan de orde. Dat kunnen
nieuwe aanwinsten op de bibliotheekplanken zijn, maar ook nieuwe digitale bronnen en
databanken waar studenten en medewerkers hun voordeel mee kunnen doen. Zo willen we
onze lezers bekend maken met betrouwbare online informatie die buiten en/of binnen de UBA
te vinden is.
Ook willen we onze lezers op de hoogte houden van publicaties van docenten en
onderzoekers. Hun nieuwe boeken en artikelen zullen we zeker vermelden in ons blog. Maar
we nodigen ook studenten uit samenvattingen van hun scripties in te sturen.
Verder willen we berichten opnemen uit de wereld van theater en film als die op één of andere
wijze verband houden met onze collectie, zoals de opvoering van een stuk van Molière in
Nederland of de verfilming van een Italiaanse roman.
De redactie neemt binnen- en buitenlandse media onder de loep om relevant nieuws op te
sporen. Dat kunnen berichten zijn over lezingen en congressen, over literaire prijzen en
andere relevante zaken uit de wereld van de Romaanse letterkunde en taalkunde.
Ons staat voor ogen een comunity te creëren waar docenten, studenten en bibliotheek kennis
kunnen delen.
Daarom zouden we heel graag zien dat studenten actief meedoen aan ons blog. Dat kan
bijvoorbeeld door een samenvatting te geven van je scriptie, maar ook een recensie van een
boek of film, die je mede-studenten zou willen aanbevelen. En natuurlijk door via het blog te
reageren op berichten.
Kortom, we roepen jullie op bijdragen te leveren aan Blog Nostrum, zodat het een levendige
pagina wordt.
Blog Nostrum staat onder redactie van Marta Adsarias Rivero en Margriet van Oerle.
Marta Adsarias Rivero heeft Communicatiewetenschappen en
Marketing gestudeerd in Barcelona en Documentaire
Informatiewetenschap aan de UvA. Ze heeft in Spanje als journalist en
PR gewerkt voor o.a. toonaangevende uitgeverij Planeta. Op 1
november 2010 is Marta Adsarias in dienst getreden als
bibliotheektechnisch medewerkster.
Margriet van Oerle studeerde Italiaanse Taal- en Letterkunde aan de
Universiteit van Amsterdam. Zij heeft lesgegeven aan de Amsterdamse
Volksuniversiteit en meegewerkt aan enkele onderzoeksprojecten aan
de UvA (promotieonderzoek Dina Aristodemo, woordenboek ItaliaansNederlands). In januari 2000 werd zij vakreferent Italiaans en in juli
2007 zijn daar de vakgebieden Frans, Spaans, Roemeens en Portugees
bijgekomen.
Margriet van Oerle en Marta Adsarias Rivero
Ma vie à Amsterdam en tant qu’étudiante d’ Erasmus
« Mais pourquoi est-ce que tu as choisi d‟aller à Amsterdam ? Pour y étudier ? Haha, oui, bien
sûr. Tu vas beaucoup apprendre là-bas. Surtout dans le champ des drogues, de boire et de faire
la fête. Tu sais, les gens là-bas, ils sont tous easy-going. Ils ne s‟inquiètent jamais, ils sont
vachement laissez-faire. Et aussi, ce qui est fantastique, ce qu‟ils soient si ouverts ! Mais dismoi, à côté de fumer et t‟amuser, qu‟est-ce que tu vas faire là-bas ? Faire tes études en
français ? Tu crois vraiment que ça fait du sens? Et aussi avec la langue, c‟est quand-même
difficile, le hollandais ! Est-ce que tu t‟en es vraiment sûre de ce que tu fais là? »
Si seulement je le savais moi-même.
Depuis très longtemps, j‟avais planifié mon séjour en Hollande, mais je ne m‟en suis pas
vraiment inquiétée. Peut-être parce que je savais que je m‟en ferais beaucoup de soucis si j‟y
pensais trop. Puisque tu ne peux jamais savoir ce qui t‟attend dans un autre pays, et comment
ça va se passer finalement. Est-ce que ça va être facile de s‟intégrer ? Comment les gens vontils t‟accueillir ? Et surtout, comment est-ce que ça va aller avec la langue ?
Les gens ont souvent rigolé quand j‟ai dit que je vais passer un an à Amsterdam. Amsterdam,
pour beaucoup de gens, ça ne signifie pour eux que des drogues, des fêtes, boire, aller dans les
bordels, et manger des krokets chez Febo (car évidemment il faut faire quelque chose contre
l‟appétit après s‟être camé). J‟ai souvent dû me défendre, et constater que ce n‟était pas
vraiment mon premier dessein en planifiant un séjour à Amsterdam. C‟est très intéressant de
voir quels stéréotypes on rencontre dans son pays d‟origine envers d‟autres pays. Les
stéréotypes font, évidemment, notre vie plus facile, car ils le nous rendent possible de repartir
le monde en groupes, et de ne plus devoir établir une opinion. C‟est donc normal d‟en avoir.
Cependant, j‟étais quand-même parfois un peu surprise de la profondeur et de la ténacité de
ces préjugés. Aussi quand on parle du programme „Erasme‟, donc l‟organisation qui m‟a
permis de venir ici. Depuis le film L’Auberge Espagnole, la réputation des étudiants Erasme
ne s‟est pas vraiment améliorée, mais a plutôt été marquée par le sceau de „dolce far niente‟.
Je dois avouer que je sors ici plus qu‟à la maison, et c‟est vrai, il a beaucoup de fêtes
d‟Erasme qui sont, disons, assez excentriques. Le but, enfin, c‟est de s‟en donner à cœur joie.
Cependant, mon horaire ici est assez serré, et j‟ai beaucoup de travaux à rendre. Donc, s‟il n‟y
pas une grande différence de travail en comparaison avec mon université à la maison,
pourquoi venir ici où je dois encore faire plus d‟efforts à cause de la langue étrangère ? Et
aussi, pourquoi venir à Amsterdam si on fait ses études en français dans la branche
principale ?
Évidemment, il aurait fait plus de sens d‟aller en France si on fait ses études en français. Ou
bien de juste rester en Suisse, car on parle le français dans la Suisse Romande. Cependant, je
voulais toujours apprendre le hollandais, car j‟ai, d‟une façon, partiellement mes racines dans
les Pays-Bas. Mon grand-père est hollandais, et je me sens pour cela quand-même un peu
attachée à la culture hollandaise. J‟ai passé quelques vacances en Hollande dans mon enfance,
et ça m‟a sûrement marqué. Aussi, je me sentais toujours bienvenue en Hollande, car ma
famille hollandaise était toujours très chaleureuse et affectueuse. De ça j‟avais déduit que tous
les hollandais sont comme ça, très sociables, ou bien gezellig, comme vous dites. J‟ai toujours
apprécié cela, cette sociabilité, car les Suisses ne sont pas vraiment répandus pour leur esprit
ouvert. Bien sûr, nous avons d‟autres qualités, mais franchement, nous ne sommes pas
vraiment l‟incarnation de la gezelligheid. En outre, ce dont je me suis rendue compte très tôt,
c‟est que les hollandais sont beaucoup plus directs que les Suisses. Nous essayons toujours de
ne pas attirer des ennuis, et suite à cela, nous préférons de trouver une réponse ou une solution
qui plait à tout le monde. Cependant, chez les hollandais, ce n‟est pas le cas, j‟ai l‟impression.
Mes parents hollandais sont beaucoup plus directs que mes parents suisses. Une fois, quand
j‟étais petite, j‟avais donné un livre à mon grand-père, car il était dans l‟hôpital, et je voulais
lui faire un plaisir. Toutefois, quand je lui ai rendu visite la prochaine fois, et quand je lui ai
demandé comment était le livre, il m‟a répondu que c‟était vraiment ennuyeux, et pas très bon
par rapport aux autres livres qu‟il avait lu de cet auteur. Très honnête de sa part, et il avait
sûrement raison, cependant, ça ne se fait pas vraiment dans ma culture, où le meilleur
compromis est la solution parfaite. C‟est probablement aussi pourquoi nous sommes toujours
neutres. Éviter les conflits, c‟est notre spécialité, même dans l‟histoire.
Pour cela, j‟apprécie vraiment la spontanéité des hollandais, car je ne suis pas habituée à cela.
Le deuxième jour que j‟étais à l‟uni, il y avait déjà un borrel de l‟association des étudiants du
français, donc une occasion parfaite pour faire connaissance de plein de gens. J‟étais vraiment
très surprise comment les gens sont venus auprès de moi et m‟ont parlés, même s‟ils ne m‟ont
jamais vue, j‟étais vraiment gagnée par cette cordialité. Cet esprit me le rend beaucoup plus
facile de faire connaissance des gens ici, car je dois avouer, être en échange, c‟est quandmême dur parfois, et très exigeant. Mais comme je viens de dire, je dois constater que je crois
c‟est le pays parfait pour faire un échange, et pour faire connaissance de tant de gens.
Cependant, je dois ajouter que j‟ai l‟impression qu‟on a un petit bonus si l‟on parle la langue.
Ou bien, disons si on essaie de parler la langue. Quand j‟étais encore en Suisse et quand j‟ai
pris un cours d‟hollandais à l‟uni, la langue me paraissait assez possible à maitriser. Le projet
d‟aller aux Pays-Bas et de parler le hollandais me paraissait faisable. Évidemment, c‟était une
illusion complète. Déjà dans le train de nuit de Zürich à Amsterdam, j‟ai dû réviser mon
jugement. Ma conversation avec un joli mec de Rotterdam était un désastre, car il croyait que
je comprenais ce qu‟il disait, tandis qu‟à moi, je croyais qu‟il parlait le chinois.
Apparemment, je suis une bonne actrice, car il continuait de parler toute la nuit, et moi, je
tentais de feindre l‟intelligence. En bref, apprendre une langue à l‟école, c‟est toujours une
autre chose que la maitriser avec des nationaux.
Donc, mon bilan après un mois aux Pays-Bas est tout à fait positif. J‟adore l‟esprit des gens,
leur cordialité, la ville est merveilleuse, et j‟aime bien mes cours à l‟uni. Bien sûr, il est dur
parfois, et aussi mes amis et ma famille me manquent. Aussi, je remarque qu‟on apprend à
apprécier ce qu‟on a à la maison quand on est à l‟étranger. Quand je partais de la Suisse,
j‟étais un petit peu négative par rapport à notre pays, et à notre culture. Cependant, j‟apprends
maintenant qu‟il y a aussi des choses que j‟aime très bien en Suisse, et qu‟il n‟y a pas de pays
„parfait‟, disons. En bref, on apprend à estimer les choses, et de les considérer d‟un côté
nuancé, je dirais. Aussi, je le savoure vraiment quand je peux parfois parler avec des gens
dans ma langue maternelle, le suisse-allemand. Car s‟exprimer en hollandais tout le temps,
c‟est très exigeant pour moi. Et très décourageant parfois, si on ne comprend même pas ce que
la fille sympa à la caisse au supermarché vient de demander. Mais je reste positive, j‟ai déjà
appris pas mal de choses, et comme tout le monde me parle en néerlandais, j‟espère vraiment
d‟être capable de parler la langue couramment dans quelques mois. Quant au slang du
Rotterdam, par contre, j‟ai l‟impression que j‟aurai encore besoin d‟un cours intensif. Mais
l‟un après l‟autre.
Myriam Hiltbrunner
'Ik wil naar het Rijksmuseum gaan'
Op een doorsnee vrijdagochtend zien Femy en ik onze kans schoon om
niemand minder dan Simon Gabay (oudere Franse Letter- en Cultuurkunde)
even flink aan de tand te voelen. Met z'n drieën strijken we neer op een
terrasje en gepaard gaand met flink wat gegiechel (niet alleen van onze kant)
vertelt hij ons het volgende:
Premièrement, pourrais-tu nous expliquer pourquoi tu es venu ici à Amsterdam?
J‟étais étudiant à Paris pour faire mon Bachelor et ensuite je suis parti pour faire
mon Erasmus en Ecosse pour améliorer mon anglais. Je suis revenu. Ensuite j‟ai demandé à
mon directeur des recherches de Master si jamais il y avait un endroit où je pouvais aller,
parce que cela m‟intéressait pas trop de rester en France. Il connaissait plus au moins Jelle
Koopmans (qui est maintenant mon directeur de recherche) qui a dit qu‟il y avait une poste à
Amsterdam qui s‟ouvrait et j'ai postulé. Il m‟a demandé mon dossier et après avoir eu un
entretien j‟étais admis. Je suis arrivé après mon Master, je suis parti vivre à Haarlem pendant
deux ans à peu près et maintenant ça fait presque trois ans que je suis ici. Et c'est mon
deuxième année que je commençe à donner des cours.
Comment est-ce que tu trouves Amsterdam?
J‟étais déjà venu ici pour plusieurs fois avant d‟arriver. C‟est une ville très jolie. Avant de
vivre ici, j‟habitais à Haarlem et je me promenais ici de temps en temps, mais je ne
connaissais pas très bien Amsterdam. L‟année dernière je suis retourné à Amsterdam et après
avoir habité un peu partout (dans Indische Buurt et Noord) j‟habite maintenant dans le
Jordaan.
De tous ces endroits, lequel te plaît le plus?
J‟ai adoré Haarlem, je trouve cette ville vraiment géniale. Bon, habiter dans le Jordaan ce
n‟est pas mal non plus, c‟est à cinq minutes de la fac. Le matin, si j‟ai un rendez-vous à 10h,
je pars à 9.55h. Pour des raisons pratiques le Jordaan n‟est pas mal, mais au niveau qualité de
vie et tranquillité et le fait que ce soit très joli, les deux se valent.
Est-ce que tu parles le néerlandais?
J‟ai dû suivre des cours de néerlandais quand je suis arrivé pendant un certain temps. Le
problème c‟est que je n‟avais pas trop l‟occasion de parler le néerlandais et j‟ai jamais
véritablement amélioré mon niveau de néerlandais. J'ai des voisins et j‟ai rencontré des gens,
mais la plupart parlent l‟anglais ici. Même quand tu poses une question en néerlandais, on te
répond en anglais. Il n‟y a que chez Albert Heijn où on te répond toujours en néerlandais. (Y
ajoutant:„Wilt u de bon?‟) J‟aimerais bien améliorer mon néerlandais, mais c‟est vrai que je
connais plutôt des jeunes de la communauté internationale. La plupart des gens que je connais
viennent des pays de l'union-européenne et on parle anglais ensemble.
Comment se fait-il que tu t’intéresses tellement à la littérature médiévale?
Pour ça il y a plusieurs raisons. Comme pour beaucoup de choses à l‟université, même pour
les lycées, on rencontre des professeurs qui nous font s‟intéresser à certaines choses. Donc
premièrement j‟avais un directeur des recherches de Master et avant un professeur de
Bachelor qui ont su m‟intéresser à cette matière. Deuxièmement, c‟était plus au moins une
décision de groupe. Quatre ou cinq amis avaient commencé la littérature médiévale ensemble.
On se connaissait déjà tous. Cela donnait l'occasion de faire la fête et d'aller au cours
ensemble. La dernière raison c'est que la littérature médiévale est vraiment fascinante. Elle est
en dehors de tous les codes. Pendant le moyen âge, il y a né beaucoup de choses et on était
assez libre, on pouvait parler de tout. Et je la trouve très intéressante à propos de l‟aspect
linguistique, tous les dialectes bizarres, c‟est très rigolo.
À part de la littérature du moyen-âge, y a-t-il d’autres courants qui t’intéressent?
Il y a quelque chose qui m‟intéresse énormément, et pas dans la littérature, mais c‟est le
traitement informatique des textes. C‟est une chose dans laquelle je suis en train de me
spécialiser petit à petit. On publie des anciens manuscrits sur des sites web. C‟est une
différente manière de les présenter, d‟organiser les données et je m‟intéresse d‟aller très très
vite à la numérisation des savoirs et l‟informatisation du patrimoine, ce genre de choses.
Qu’est-ce que tu connais de la littérature néerlandaise?
Le plus «grand» écrivain néerlandais le plus connu en France et francophone, c‟est Joris-Karl
Huysmans.. Il est néerlandais et a raconté son voyage à Haarlem, il est immigré en France, il a
écrit des livres en français. On m‟a dit que les traductions en néerlandais sont excellentes. Il a
écrit des livres très importants. Tout au début de son carrière il était un ami de Emile Zola et
de Maupassant. Il a une littérature qui est géniale. Dans la Nouvelle Revue française, j‟ai lu
un numéro consacré à la littérature néerlandaise. Le problème avec la littérature néerlandaise,
c‟est qu‟elle est très peu traduite en français. Quand je voyage, je veux lire la littérature dans
la langue de ce pays, par exemple Dantes en Italie et Goethe quand je suis en Allemagne. Aux
Pays-Bas, j‟ai lu Max Havelaar de Multatuli, par exemple. Quand je suis arrivé ici, j‟ai lu
beaucoup de livres sur la culture et l‟histoire des Pays-Bas, c‟est ma manière d‟apprendre des
choses.
Dans la littérature contemporaine, quel est ton livre préféré?
Sollers, un écrivain et ami de Roland Barthes, a écrit un livre extraordinaire qui s‟appelle
«Femmes», un livre qui a été très polémique en France. Si je devais choisir un livre, je
prendrai celui-là. Premièrement, l‟œuvre de Sollers a eu un impacte énorme sur la littérature
française, notamment sur la génération après Barthes, après Sartre et la génération de mai ‟68.
Il est représentatif d‟une génération particulière. Il a un style d‟écriture extrêmement moderne
et chaque livre parle des sujets généraux: Paris, les femmes, l‟amour. Dans chaque livre, il
donne une sorte de critique littéraire. C‟est quelqu‟un très libre et qui a des idées très
intéressantes sur la société dans laquelle on vit.
Quelles sont selon toi les différences entre les étudiants néerlandais et les étudiants
français?
Les étudiants néerlandais sont plus autonomes. En France on a une culture d‟examens sur
table ce qui fait que les étudiants sont exigeants vis-à-vis le professeur. Ils veulent savoir tout
dont ils doivent écrire. Ici, il y a moins une culture d‟exigence.
Tot slot vroegen wij hem wat zijn plannen voor het komende jaar zijn. Omdat hij zijn cappuccino zo
netjes in het Nederlands bestelde en toch meer van het Nederlands leek te verstaan dan hij
beweerde, stelde wij hem deze vraag in het Nederlands en vroegen wij hem ook in het Nederlands te
antwoorden. Licht twijfelend, maar met een dapper beginnend Nederlands, (zoals het een echte
chevalier betaamt) vertelde hij ons dat hij graag Maastricht wil bezoeken, dat hij een concert in het
concertgebouw wil bijwonen, het hermitage wil zien en daar aan toevoegend: “Ik wil naar het
Rijksmuseum, maar ik wil naar het rijksmuseum als het weer open is!”. Zijn Nederlands wil hij ook
nog graag verbeteren, maar het afronden van zijn onderzoek is zijn eerste prioriteit dit jaar.
Femy Begeman en Arisa Niewenhuis
La Roue
La roue est la plus belle découverte de l'homme et la seule
il y a le soleil qui tourne
il y a la terre qui tourne
il y a ton visage qui tourne sur l'essieu de ton cou quand
tu pleures
mais vous minutes n 'enroulerez-vous pas sur la bobine à
vivre le sang lapé
l'art de souffrir aiguisé comme des moignons d'arbre par les
couteaux de l'hiver
la biche saoule de ne pas boire
qui me pose sur la margelle inattendue ton
visage de goélette démâtée
ton visage
comme un village endormi au fond d'un lac
et qui renaît au jour de l'herbe et de l'année
germe
Aimé Césaire
Lasagne végétarienne aux épinards
Vrienden van mij zijn ervan op de hoogte dat ik een bijzondere voorliefde voor koken en eten heb, en
dan vooral van het laatste. Nu is daar niets van gelogen, maar het heeft over het algemeen ook de
consequentie dat er te pas en te onpas mensen bij mij over de vloer komen om te genieten van een 1-,
2- of, met een beetje mazzel, 3-gangen maaltijd. Reuze gezellig, al speelt er wel altijd de vraag: ga ik
achter de pannen staan terwijl mijn dierbare gasten er al zijn, of maak ik iets klaar in de oven zodat ik
de boel een beetje kan entertainen? Aangezien ik een ovenrecept heb dat ik sinds mijn 15e zo‟n 20 keer
gemaakt heb, komt het bij mij toch vaak op het laatste neer. Nog nooit mislukt, altijd met „ge-jum‟
ontvangen én lief voor de portemonnee: vegetarische lasagne met spinazie. Voor 4 gewone eters (in
geval van een reuze honger, vermenigvuldig alle ingrediënten keer 1,5)
Ingrediënten
- 1 pak bladspinazie (450 gram)
- 500 gram champignons
- 2 uien
- 100 cc (ml) Blue Band Vloeibaar
- 4 eetlepels groene pesto
(al is een heel potje ook prima)
- 1 blik gepelde tomaten (netto gewicht 400 gram)
- zout
- peper
- 50 gram bloem
- 0,5 l melk
- 2 theelepels basilicum
- 300 gram mozzarella
- 250 gram lasagnevellen
- 75 gram Parmezaanse kaas (of AH Pittig geraspte kaas)
(eventueel zijn geroosterde pijnboompitjes ook lekker erbij, al hoort dat niet in het originele recept)
Bereidingswijze
Ontdooi de spinazie. Snijd de champignons in plakjes. Snipper de ui.
Verhit 1 eetlepel margarine. Fruit de helft van de ui. Voeg de spinazie toe en bak ca. 3 minuten. Schep
de pesto erdoor.
Verhit in een andere pan nog een eetlepel margarine. Fruit de rest van de ui. Voeg de champignons toe
en bak ze ca. 5 minuten. Roer de tomaten erdoor. Laat ca. 5 minuten koken. Breng op smaak met zout
en peper.
Smelt de rest van de margarine. Roer de bloem erdoor. Voeg in scheutjes de melk toe. Roer de
basilicum erdoor. Breng op smaak met zout en peper. Snijd de mozzarella in plakjes.
Vul een ovenvaste schaal met om en om helft van tomatensaus, helft van mozzarella, helft van
spinazie, helft van bechamelsaus, helft van lasagne, rest tomatensaus, rest spinazie, rest mozzarella,
rest lasagne en rest bechamelsaus. Bestrooi met kaas. Dek dit af met folie.
Verwarm de oven voor op 200 C. Laat de lasagne in ca. 40 minuten gaar worden. Haal de folie eraf en
laat in nog ca. 5 minuten bruin kleuren.
! Ooit heb ik een keer geprobeerd om vier lagen lasagne in de schaal te doen. Dit werd echter een
kleverige, zompige deeg massa, waardoor het ook meteen de laatste keer was. Twee lagen
lasagnevellen lijkt weinig, maar is dus genoeg.
Laura kraak

Documents pareils

REVUE DE PRESSE PERSOVERZICHT

REVUE DE PRESSE PERSOVERZICHT fond de l'affaire sera plaidé dans le courant de Fannée 2017. On le sait, depuis la dernière campagne en Antarctique, les relations entre la Fondadon polaire et l'adminisû-adon dïlke Slenrs, la sec...

Plus en détail